Meditatie - Gedenken
Geschreven door Ds. P.J. Kok   
donderdag 03 november 2011 22:08

"Gedenkt aan de vrouw van Lot." Lucas 17: 32

Gedenken, dat ligt ons in de regel wel, als het een positieve aangelegenheid betreft. Gedenkdagen, wie heeft ze niet? Dagen, waarop je in dankbare verwondering om mocht zien, terug mocht kijken op een bepaalde periode van huwelijk, werk of ambt. Wie kent niet de berichten, waarin medegedeeld wordt dat deze en gene D.V. hopen te gedenken…enz. als het goed is klinkt er dan een toon van verwondering in door, dat men er nog is, nog mag zijn. Omdat het de goedertierenheden des Heeren zijn, dat men niet vernield is. Zo wordt het een gedenken, een omzien in verwondering.

Wederkomst.

Geldt dit ook voor de oproep welke de Heere Jezus hier doet? "Gedenkt aan de vrouw van Lot." Waarom verwijst Hij naar háár? Is zij zo'n bijzondere vrouw geweest om aan te gedenken, aan terug te denken? De verwijzing naar de vrouw van Lot staat in een gedeelte waarin de Heere Jezus spreekt over de tijd, welke aan Zijn wederkomst ten oordeel vooraf gaat. Voor Zijn levend gemaakte volk zal dat een bange tijd zijn. Een tijd van verzoeking en beproeving, van verdrukking en lijden. Ook van verlangen naar Zijn verschijning, welke echter niet direct plaats vindt. En onder dit alles zal het leven van gros des mensen gelijken op de tijd van Noach en Lot. Enerzijds een tijd van bruiloften en feest vieren, en anderzijds van geheel opgaan in dit aardse leven. Aan een plotseling komen ten oordeel wordt niet (meer) gedacht. Als men maar kan werken en genieten, dan is men tevreden. Aan de Heere wordt niet gedacht, Hem hebben ze niet meer nodig. Gaat deze tekening ook al niet op voor onze tijd? Leven velen ook kerkmensen, niet uitsluitend voor het hier en nu? Lopen ook wij niet het risico ons hart aan dit aardse, dit vergankelijke te geven?

Bijna gered – toch verloren

De Heere komt ten oordeel, plotseling, onverwachts. In de tijd van Noach was er opeens het water dat allen verdierf, die niet in de ark waren; in de tijd van Lot was er opeens het vuur, dat Sodom en andere steden volkomen in de as legde. Lot werd gered: een vuurbrand uit het vuur gerukt. Hij moest meegesleurd worden met zijn dochter en zijn vrouw. Gered op voorwaarde dat zij NIET om zouden zien. Maar de vrouw van Lot zat zo vast aan Sodom, aan haar wereld, aan de wereld, dat ze Gods gebod overtrad. Ze mocht niet omzien. Niet uit nieuwsgierigheid, niet uit begeerte. Maar ze deed het toch. En het gevolg? Het oordeel van God trof haar, zij het op een andere wijze. Ze veranderde in een gedenkteken: een zoutpilaar.
"Gedenkt aan de vrouw van Lot." Hoe actueel zijn deze woorden van de Heiland. Hoe ernstig en klemmend. Immers hoe vast kunnen wij niet zitten aan de wereld, aan dat wat aan de vergankelijkheid onderworpen is. De Heere komt ten oordeel. Als het niet in het groot is, dan toch in het klein. Hij kan een land treffen, een provincie; ook ons persoonlijk leven door een plotselinge dood. En hoe liggen de zaken dan? Bijna gered, zoals de vrouw van Lot, is nog verloren als we de Heere niet volkomen op Zijn Woord geloven. Nog verloren, als we geheel of gedeeltelijk aan de wereld vast zitten, nog verloren als ons hart gedeeld is. De Heere heeft recht op de volkomenheid van ons hart in overgave aan Hem en Zijn Woord. Christus komt als een dief in de nacht. Onverwachts. Tijdens een receptie, zakelijke bespreking, bij inspanning of ontspanning. Hoe zal Hij ons dan aantreffen? In de wereld en nog van de wereld? Of : in de wereld en door genade niet meer van de wereld?

Vluchten.

"Gedenkt aan de vrouw van Lot." Bijna gered en toch verloren. Het kan! Velen, die de naam van Christus droegen, zich christenen noemden, zijn verloren gegaan omdat ze niet werkelijk van Christus waren. Als ons hart, onze schat, ten diepste in de wereld, in Sodom ligt, komen we met haar om. Tenzij we met een verbroken hart vluchten tot Jezus Christus. Tot Hem, Die het oordeel, de toorn van God tegen de zonde van ons, mensen heeft ondergaan. Vrijwillig, gewillig, borgtochtelijk.
Vluchtend tot Hem, wordt de zonde als schuld tegenover een heilig en goeddoend God beleefd en beleden. Dan zeggen we met David: "gedenk niet meer der zonden mijner jonkheid noch mijn overtredingen…" Dan komt er ook een pleiten op de genade, door Christus verworven:"gedenk mij naar Uw goedertierenheid, om Uwer goedheid wil, o HEERE!" (Ps 25)
Wie zo schuiling zoekt, is veiliger dan in een bonvrije kelder. Wie zo schuiling zoekt die zal het wonder ervaren dat de HEERE zegt: "Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uw zonden niet."
Om dan zelf Hem te gedenken. Telkens weer. "'k Zal gedenken hoe voor dezen mij de Heer' heeft gunst bewezen!"
Als dat onze voornaamste bezigheid wordt of geworden is dan is het geen omzien uit begeerte, maar in verwondering. Is er een vooruit zien in verwachting. En zal er een thuiskomen zijn tot eeuwig gedenken van Hem, Die uit vrije gunst gedachtig is geweest!