Meditatie
Geschreven door Dr. T.M. Hofman   
vrijdag 15 oktober 2010 15:31
Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan….” Hebr. 4:16a

De herdenking van de Reformatie staat voor de deur. Herdenken is bijbels gezien niet met een zekere afstand terugdenken aan iets, maar het duidt een persoonlijke betrokkenheid aan. Alsof je er zelf bij bent geweest. Het raakt je diep. De Reformatie draaide niet om bijzaken, maar om de kernzaken van ons christelijk geloof: levend geloof als gave van God: ware geestelijke vrijheid door de verbondenheid met Christus en persoonlijk vruchtbaar leven door de Heilige Geest. We moeten binnen de gereformeerde gezindte rond het herdenken ”de maat” eerlijk hanteren. We zijn er niet uit door Rome de maat te nemen. Op welk geestelijk niveau leven we zelf? Hartelijke verbondenheid met de drie-enige God zou ons persoonlijk en kerkelijk leven toch moeten doen bloeien? Laten we oprecht nagaan hoe het staat met het bijbels erfgoed in eigen kring. Voor Luther was de vrijheid van een christenmens een zaak van het harten niet primair een leerstuk. Hij mocht leren er zelf uit te leven. Hoe beleven wij, kinderen van de Reformatie, de christelijke vrijheid? De aansporing om “met vrijmoedigheid toe te gaan” hebben de Hebreeën nodig. Er zijn veel dreigingen en verzoekingen. Sommigen lopen het gevaar de strijd op te geven. Ze raken al verder achterop en uit het gelid. Het contact met het Godsvolk onderweg gaat dan verloren. Het ergste is daarbij dat de overste Leidsman uit het zicht raakt! Dan gaan mensen hun eigen dwaalweg en die brengt onheil. Het is niet alleen een verloochening van de belijdenis, het is tevens een verloochening van de Heere en Hogepriester.

Hoe kunnen ze in deze strijd volharden? Alleen in gemeenschap met de Heere. Daarom klinken er in de brief aan de Hebreeën steeds van die aansporingen als in ons tekstwoord. Hier horen we een opwekking om toe te gaan tot de genadetroon. Kan dat dan? Ja, het kan, het mag en het moet. Het wordt ons dringend op het hart gebonden. Als extra aansporing spreekt de Schrift van “met vrijmoedigheid”. Op het eerste gehoor is dat volgens ons een subjectieve zaak. Wij zeggen vaak: De een heeft die vrijmoedigheid wel en de ander niet. Daar kom je dan toch niet zo veel verder mee? Het Griekse kernwoord heeft als belangrijk aspect: de vrijheid om alles te zeggen. Oorspronkelijk betrof dat bij de Grieken de politieke vrijheid om te spreken als vrije burgers. In de brief aan de Hebreeën is vrijmoedigheid de rijke gave van de nieuwe bedeling. Dit heilsgeschenk is verworven door het verzoenend lijden en sterven van de grote Hogepriester. Vrijmoedigheid is dan ook een aanduiding voor de zekerheid en de vastheid van het geloof. Door Christus’ werk ligt de weg naar God open. Daar is geen nieuwe tempel, geen nieuw altaar, geen nieuw offer, geen nieuwe hogepriester voor nodig. Het heil om tot God te mogen naderen is eens en voor altijd verworven. Een andere weg dan via de Middelaar is er niet. De Hebreeënbrief mag in allerlei toonaarden bezingen dat er ruim baan is. De weg naar de genadetroon ligt wijd open. Hebreeën tekent ook de ernst! Alleen deze Weg is heilsweg.

Wee degene die geen levende band kennen met de Hogepriester van onze belijdenis. Dan is Gods troon nog een troon van gericht. Daarom is deze vol van waarschuwing en aansporing. Beide komen tot hun recht. De heilsweg via de Hogepriester Jezus, de Zoon van God is de Enige. Daarom worden de lezers aangespoord. Geloofszekerheid en vermaning horen onafscheidelijk bijeen. Dan is vrijmoedigheid de geestelijke vrijheid om toe te treden voor Gods aangezicht op grond van het volbrachte werk van de Hogepriester. Alleen zo is er heil. En deze grote hemelse Hogepriester is niet ongenaakbaar, maar vol erbarming en medelijden voor zondaren die door Hem tot God vluchten. De grondlijnen voor de nieuwtestamentische betekenis van vrijmoedigheid liggen reeds in het Oude Testament. God redt uit de slavernij. Zo heeft Hij Zijn volk uitgevoerd uit het slavenhuis van Egypte. Met opgeheven hoofd mogen ze de weg naar de vrijheid gaan (Lev. 26:13). De vrijmoedigheid van de vrome wortelt in Gods heilbrengend, verlossend optreden. Herdenken anno 2010 is niet allereerst een zaak van 31 oktober 1517, maar vooral een herdenken van Gods verlossend handelen in en door Zijn Zoon. Door Christus mogen we tot God gaan met vertrouwen, omdat God de Getrouwe is, Die Zelf het heilheeft verworven. Dat is het bevrijdende Evangelie voor alle tijden. Kinderen van de Reformatie zijn kinderen van ware vrijheid. Ze zijn kinderen van God. Dat is niet vrijpostig, maar vrijmoedig.