Meditatie - LIEFDE DIE HANDEN EN VOETEN KREEG
Geschreven door Ds. W. van Sorge   
dinsdag 01 juni 2010 23:02

LIEFDE DIE HANDEN EN VOETEN KREEG

En allen die geloofden, waren bijeen en hadden alle dingen gemeen-schappelijk; en zij verkochten hun goederen en bezit en verdeelden die onder allen, naar dat ieder nodig had.           (Handelingen 2 : 44 en 45)

Het was lente in die jonge Pinksterkerk te Jeruzalem. Het geestelijk leven bloeide en de gemeente tintelde van levenskracht. Dit was merkbaar het werk van God. En wat uit God is houdt stand. Daarom lezen we in vers 42, dat die eerste christenen volhardden in de leer der apostelen en in de gemeenschap en in de breking van het brood en in de gebeden. Verder onderhielden ze de dienst van de Heere en kenden ze een eigen gemeenschapsleven, zoals uit het begin van onze tekst blijkt. De gelovigen vormden een geestelijke eenheid. Ze zijn wedergeboren en staan in levensgemeenschap met Jezus Christus. En juist vanwege die verticale band is er de horizontale band: ze staan niet als losse individuen naast elkaar, maar ze worden aan elkaar verbonden. Ze vormen samen één lichaam, waarvan Christus het Hoofd is en zij de leden zijn. Dit is geen kunstmatige eenheid, maar eenheid in de wortel. Ze weten dat ze gekocht zijn door hetzelfde bloed, dat ze geleid worden door dezelfde Geest en dat ze samen één God en Vader hebben, van Wie ze alle zegen ontvangen. Er is dus eenheid van leven. De zonde verdeelt, maar de Heilige Geest brengt bijeen. Hun onderlinge liefde bloeit op uit gemeenschappelijke verbondenheid aan de Zaligmaker. Duidelijk zien we dat de gemeenschap der heilige gestalte krijgt in het onderling samenkomen van die eerste christenen.
Het geestelijk leven is te kennen aan de liefde. Dit is jammer genoeg vaak een vergeten en verwaarloosd hoofdstuk in de kerk. Dit mag zo niet zijn. De apostel Johannes schrijft in grote ernst: 'Wij weten dat wij uit de dood overgegaan zijn in het leven, omdat wij de broeders liefhebben'. De broederliefde (en natuurlijk: zusterliefde) is niet het enige kenmerk, maar wel een wezenlijk kenmerk van het geestelijk leven. Deze liefde rust niet op gevoelens van sympathie o.i.d., maar op de geloofseenheid in Christus. Dan is er, ook bij verschil van karakter, levensleiding enz., wederzijds herkenning in de begeerte om voor de Heere te leven, tegen de zonde te strijden, de Heiland lief te hebben.
De levens- en liefdesband met Koning Jezus verbindt ons dus ook aan de onderdanen van deze Koning. De liefde tot hen openbaart zich in de daad, in het offer. In die eerste christengemeente kreeg de liefde handen en voeten. Want ze hadden alle dingen gemeenschappelijk en ze verkochten hun goederen en bezit en verdeelden die onder allen, naar dat ieder nodig had. Het christelijk geloof staat niet buiten het gewone alledaagse leven, maar doordringt juist dat leven. Zo blijkt ook daarin de grote kracht van Gods Geest.
Alle dingen hadden ze gemeenschappelijk. Dat heeft niets te maken met het communisme, dat alle eigendom tot diefstal verklaart. In Jeruzalem werd het privébezit niet afgeschaft. De leden van de gemeente bleven in principe eigenaars van het hunne. Er werden vrijwillig gaven geschonken. Er was geen dwang tot onteigening, wel drang om goed te doen aan de arme huisgenoten des geloofs, zodat deze geen gebrek hoef-den te lijden. Men bewees barmhartigheid omdat men zelf barmhartigheid ontvangen had.
Dit blijft een actuele boodschap. Als de Heilige Geest Zijn vernieuwend werk in ons hart en leven doet, zal dit ook te merken zijn aan de manier waarop wij onze aardse goederen gebruiken. We gaan daar niet meer restloos in op, omdat we de betrekkelijkheid daarvan inzien en (vooral) omdat Christus in ons leven centraal is komen te staan. En we worden bereid gemaakt om van ons bezit uit te delen waar het nodig is. Te denken valt aan allerlei werk in Gods koninkrijk, zoals zending, bij-belverspreiding enz. Maar offerbereidheid geldt ook onze noodlijdende medemensen ver weg én dichtbij, niet in de laatste plaats medegelovigen. De mogelijkheden daartoe zijn ruimschoots aanwezig.
Laten wij de Heere iedere dag bidden dat Zijn Pinkstergeest ons leiden en in ons wonen mag. Voor 't eerst en steeds meer. Opdat de vrucht van de Geest in ons leven mag rijpen. Ook de vrucht van liefde. Liefde die harten aaneensmeedt. Diefde die handen en voeten krijgt in de praktijk van het dagelijks leven, ook in de relatie tot broeders en zusters van hetzelfde huis. Waar liefde woont, gebiedt de HEERE de zegen!

Ds. W. van Sorge, Veenendaal